8/27/2013

 

Genieten en onafhankelijkheid

Ik ben een boek over Levinas aan het lezen, het heet "Levinas in de praktijk - een handleiding voor het best mogelijke helpen, privĂ© en in de zorg". Het is een erg interessant boek, ik had bijna gewild dat ik het zelf geschreven had. Het is in eenvoudig Nederlands geschreven, met veel voorbeelden. De structuur van het boek is heel helder. En de inhoud is concreet toepasbaar in de praktijk. Een echte handleiding in de zin van gebruiksaanwijzing is het niet, maar het is in ieder geval stof die aanzet tot nadenken. Concreter dan dit kan de filosofie van Levinas denk ik niet verwoord worden.

Ik ben nu een interessant hoofdstuk aan het lezen dat gaat over genieten en onafhankelijkheid. Volgens Jan Keij koppelt Levinas genieten aan onafhankelijkheid en zijn beide een voorwaarde voor een mens om zijn of haar verantwoordelijkheid op zich te kunnen nemen. Ik weet niet of Levinas als hij dit boek zou lezen, zou vinden dat zijn filosofie zo goed is weergegeven. De conclusies worden in ieder geval nooit letterlijk zo beschreven in de boeken van Levinas zelf. Maar los daarvan is het in ieder geval boeiend om na te denken over wat Jan Keij schrijft.

Levinas schrijft veel over genieten. Genieten is een fundamentele behoefte. Als ik lekker aan het eten ben dan doe ik dat niet in de eerste plaats omdat het noodzakelijk is om in leven te blijven. Ik eet niet om te leven maar ik leef om te genieten van het voedsel dat ik tot mij neem. Ik kan mijn tanden zetten in een verse rijpe appel. Ik kan lekker op een bankje in de zon gaan zitten en genieten van de warmte op mijn huid. Volgens Levinas is dit de eerste neiging die mensen hebben. Voordat er een ander aankomt die mijn rust komt verstoren - die mij ruw wakker schudt uit waar ik mee bezig was - kan ik opgaan in het genieten van de dingen die ik tot mij neem. Terwijl ik het boek aan het lezen was bedacht ik me ook dat het mooi is om bewust te genieten, ook van kleine dingen. Dat is eigenlijk een stuk fijner leven dan met veel geklaag over wat er allemaal niet goed gaat. Bijvoorbeeld eens bewust kijken naar hoe mooi de lucht is als de zon ondergaat.

Het klopt wat Jan Keij schrijft, dat Levinas de genietende mens beschrijft als onafhankelijk. Iemand die geniet heeft genoeg aan zichzelf en beschouwt alles om hen heen als in dienst van zichzelf. Als ik aan het genieten ben van het eten van een appel dan eigen ik mij die appel toe, ook letterlijk: door hem op te eten wordt de appel een deel van mij.

Jan Keij gaat echter een stuk verder dan hoe ik de teksten van Levinas tot nu toe heb opgevat. Genieten en onafhankelijkheid zijn volgens Keij voorwaarden om een ander te kunnen helpen. Want als je niet geniet heeft het leven geen waarde en kun je ook niet meevoelen met de waarde die het voor een ander heeft. En het genieten gaat noodzakelijk samen met onafhankelijkheid. De beide samen zijn voorwaarde om te kunnen helpen en tegelijkertijd geldt ook nog dat het helpen van de ander ervoor moet zorgen dat de ander onafhankelijker wordt en beter kan genieten van het leven.

Ik vind het vreemd dat onafhankelijkheid als zo'n positieve waarde wordt beschouwd in hoe Jan Keij Levinas weergeeft. Ik zou denken: als ik heel onafhankelijk ben zou het betekenen dat ik niets en niemand nodig heb. In dat geval zou ik makkelijk onverschillig kunnen worden, want het maakt allemaal niet uit wat ik doe. Onverschilligheid is een belangrijk woord in de filosofie van Levinas. Als er iets niet de bedoeling is dan is het dat mensen onverschillig zijn. Levinas gebruikt het woord letterlijk: on-verschil-lig betekent: geen verschil zien. Het is echter juist heel belangrijk dat ik het verschil tussen mijzelf en de ander wel zie, want anders kan ik proberen mij de ander toe te eigenen en als ding te gebruiken. Ik moet juist heel goed weten waar ik zelf ophoud en de ander begint. Onverschilligheid en verantwoordelijkheid gaan niet samen.

Toch legt Jan Keij ook wel uit dat mensen niet alleen maar onafhankelijk zijn in het genieten, maar tegelijkertijd ook afhankelijk. Ik kan nu lekker genieten van mijn eten, maar ik weet niet of ik morgen ook iets te eten heb. Ik ben dus toch ook afhankelijk van het eten: of het er wel of niet is. Levinas beschrijft vaak dat soort paradoxen zoals het tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk zijn.

Het is iets om over na te denken, maar op zich denk ik een mooi idee: dat een van de doelen van het helpen van een ander zou moeten zijn om de onafhankelijkheid van de ander te bevorderen. Dat gaat tegen het beeld in dat het woord 'helpen' vaak oproept. Als ik de ander help dan zie ik de ander als een zwak, zielig, kwetsbaar iemand die hulp nodig heeft en ik ben de grote sterke weldoener die hulp biedt. De ander is afhankelijk van mij en door mijn hulp aan te nemen (in plaats van zichzelf te helpen) wordt de afhankelijkheid alleen maar groter. Maar volgens Levinas is de ander die om hulp vraagt juist de sterke partij. De ander is mijn meester. De ander spreekt mij aan op mijn verantwoordelijkheid. De ander schudt mij wakker uit mijn eigen wereldje waarin ik in cirkels aan het ronddraaien ben in mijn eigen gedachten. De ander houdt me een spiegel voor en laat mij iets van mijzelf zien dat ik zonder de ander nooit zou kunnen zien.

Het is ook veel beter om de onafhankelijkheid van de ander te bevorderen, want dan wordt de ander minder hulpbehoevend. Daardoor hoef ik niet eeuwig hulp te blijven geven en dat is voor de ander ook een stuk prettiger.

Voor het werk van Mensen met een Missie in het zuiden is dit een belangrijk punt, want je kunt hiermee onderbouwen waarom het stimuleren van onafhankelijkheid en een eigen ontwikkelingsproces belangrijk is voor de partnerorganisaties in het zuiden. Het voorkomt ook een arrogante houding van: 'Kijk eens hoe goed wij zijn dat wij die arme stakkers helpen'. 

This page is powered by Blogger. Isn't yours?